"

Gebroeks Huilands

Column: Dan sjrief mer plat

 

Pasgeleje ’n leuk gesjprek gehad euver ós Limburgs en wie väöl foute veer maakde es v’r vreuger Nederlands kalde. In de volksmónd neume ze dat ouch “Gebroeks Huilands”.

Als kleine poet deed ik mezelf over het onderlijfje een kleedje aan die de witvrouw van onze naber gestrikt had. Daaronder kwamen hoog opgetrokken hozen met pas gewiekste stevelen en het losse vaampje werd afgeknipt door de maat met de scholk om die ons huis keerde met de kwispel. Het knoopje dat weg was verving ze door een spang.

Na het smekken van een snee wek met miemelen liet ik de katselen op de telder liggen. Nog gauw een kloets limonaat en dan gingen we buiten huiven, koekerallen of prikken.

Soms gingen we ons met een hele bubs verzetten naar de hei en zeumerde hout bijeen om te vunkelen. Op weg liepen we langs stegels en gatsen en kwamen bij weien waar we wellins een zouw met zijn kreem en haar baggen zagen en ook koeien met volle demen waarvan de melk in teuten gedaan werd. Bij een appelgaard strietsten we ons er eentje die diks kweps was, maar moesten wel eerst onder de tankeldraad kruipen. Dan verschangeneerde je de knieën wat een dikke braats werd waar later wel een raaf opkwam. De kiets smeten we onderwijl weg in de gut of in de graaf waar al het ongesijfer vanzelf op af kwam.

En als de lichtpalen aan gingen moesten we naar huis anders zwaamde er wat.

 

Laes editie 2-16 van #de Hulsberger